De klassieke fout van veel zzp’ers

Laatst vroeg een zzp’er mij om zijn brochure te redigeren. Hij kon de tekst niet meer zien, was er helemaal klaar mee.

‘Hoe langer we aan de teksten schaven, hoe erger het wordt’, zei hij.

Ehm… ‘we’?

Er bleken in totaal acht vrienden, partners, collega’s en buren naar de tekst gekeken te hebben.

Aha.

Nou weet ik toevallig dat elke tekst doodslaat als er zo veel mensen naar kijken, zelfs een hele goeie.

Dat werkt zo:
de een schrapt wat grappige vondsten (want oei misschien gevoelig), de volgende gooit er wat dure woorden tegenaan en een derde probeert alles juridisch dicht te timmeren.

Alles goed bedoeld, daar niet van, maar je eindigt met een bloedeloos gedrocht waar niemand wat aan heeft.

En dat was in dit geval niet anders.

Ik vroeg wat hij met zijn brochure wilde bereiken, wat zijn doel was.

Dat werd een mooi gesprek. Hij bleek enthousiast te kunnen vertellen over zijn werk en wat hij te bieden heeft.

Echt een toffe peer, ik zou hem zo inhuren.

Na het gesprek heb ik de brochure aangepakt. De tekst moest weer een beetje ‘menselijk’ worden. Geneuzel eruit, kordaatheid erin.

En vind ik nu dat je altijd je teksten door een professional moet laten schrijven?

Nee joh!

Veel zzp’ers kunnen prima hun eigen teksten schrijven.

Maar laat ze daarna niet door jan en alleman verbeteren. Want hoe meer mensen naar je teksten kijken, hoe onpersoonlijker ze worden.

Vreemd genoeg.

Over de auteur

Cecile Bolwerk is tekstschrijver en eindredacteur. Ze biedt teksthulp aan zzp’ers.
Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Wat doet een tekstschrijver voor kinderen?

Als tekstschrijver ben ik gespecialiseerd in het schrijven voor kinderen en jongeren. Een machtig mooie specialisatie, al zeg ik het zelf. Maar ik merk dat niet iedereen snapt wat een tekstschrijver voor kinderen doet. ‘Goh, leuk’, zeggen ze dan tegen me. Gevolgd door een meewarige blik: blijkbaar leg ik de lat niet zo hoog, dat dit mijn specialisme is? Misverstandje natuurlijk. Ga ik met deze blog even fijn de wereld uit helpen.

Tekstschrijvers voor kinderen:

– schrijven toegankelijke teksten
Onze teksten moeten begrijpelijk en ondubbelzinnig zijn. We zijn dus niet bezig met het schrijven van een doorwrocht existentialistisch meesterwerk vol archaïsch woordgebruik. Sterker: ons werk is zo ongeveer het tegenovergestelde daarvan. Wel hebben we voor ons werk een verrassend grote woordenschat nodig. Een tekstschrijver voor kinderen is daarom vaak een wandelende synoniemenmachine.

– schrijven extreem publiekgericht
Wij kennen ons leespubliek door en door. Bepalen of een tekst geschikt is voor een bepaalde leeftijd is behoorlijk lastig. Maar het is wel essentieel. Want een tekst die eigenlijk voor je jongere broertje of zusje is, is STOM! De truc is om nét even boven het niveau van je lezers te zitten. Qua inhoud en qua woordkennis. Maar pas op, want bij meer dan 5% onbekende woorden in een tekst haken je lezers af. (Dat geldt overigens ook voor teksten voor volwassenen.) Dus: welke woorden kent een kind van zeven jaar? En van tien? Wij weten dat. Noem je dat dan nattevingerwerk? Of hebben we gewoon een grondige kennis van onze doelgroep? Dat zijn zo van die retorische vragen.

– researchen zich suf
Iemand zei ooit: ‘If you can’t explain it simply, you don’t understand it well enough’. Vergeef me het cliché, maar deze quote is zo ongeveer het uitgangspunt van onze specialisatie. Een tekstschrijver voor kinderen researcht zich daarom regelmatig helemaal suf. Dat vinden we niet erg hoor, het zit in onze aard. Ik denk zelfs dat we tekstschrijver voor kinderen worden omdat we zelf zo nieuwsgierig zijn. Al dat researchen is trouwens uitstekend voor onze eigen algemene ontwikkeling, wist u dat? En op feestjes hebben we hierdoor een schier onuitputtelijke voorraad smeuïge of – afhankelijk van het publiek – smerige anekdotes.

– houden hun vakkennis up-to-date
Even terug naar de basis: goede tekstschrijvers voor kinderen zijn in de eerste plaats gewoon goede tekstschrijvers. Ook wij houden netjes onze vakkennis bij. We lezen over nudging, tekststructuren en SEO. We volgen workshops en cursussen. En daarnaast verdiepen we ons in de wereld van kinderen. We kennen hun voorkeuren en onzekerheden. We nemen hun mening serieus. En we spitten alles door wat met onderwijs, ontwikkelingspsychologie en AVI-niveaus te maken heeft. Want dat is nou eenmaal onze specialisatie.

Begrijpt u nu wat een tekstschrijver voor kinderen doet?
Gaaf, hè?

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze schrijft teksten voor kinderen en ontwikkelt lesmateriaal. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Ook kinderen lezen het liefst nieuwe boeken

Onlangs interviewde kindercorrespondent Tako Rietveld de LeesTippers, een groepje jonge lezers tussen 9 en 12 jaar*. Het gesprek ging – natuurlijk – over lezen. En dankzij de ongedwongen sfeer werd het stiekem behoorlijk informatief.

Hier een paar dingen die mij opvielen:

Liever thuis lezen dan op school
Het is bekend dat goed kunnen lezen gunstig is voor de leerprestaties van kinderen. Veel experts, waaronder kinderboekenambassadeur Jan Paul Schutten, pleiten daarom voor het kwartiertje vrij lezen op school. De LeesTippers bleken in hun klassen allemaal vrij te lezen, vaak aan het begin van de ochtend. Maar echt veel plezier hebben ze er niet in, vertelden ze. Ze lezen liever ’s avonds thuis. Omdat ze daar rust hebben. En omdat het dan niet hoeft van de juf of meester. Want iets dat moet is per definitie minder leuk.

Nieuwe boeken graag
Grappige en spannende boeken zijn bij de LeesTippers favoriet. En ook boeken waar je iets van leert, zowel fictie als non-fictie. Maar interessanter vond ik dat de kinderen zeiden vooral nieuwe, actuele boeken te willen lezen. Boeken moeten recent zijn en er netjes uitzien. Weg dus met die vergeelde, twintig jaar oude exemplaren die nu nog in veel (school)bibliotheken staan. Een kleine, actuele collectie is veel interessanter dan een grote, stoffige. De kinderen vinden het overigens jammer dat er van de echt populaire boeken maar zo weinig exemplaren beschikbaar zijn. Dat geldt niet alleen voor de schoolbibliotheek, maar ook voor de openbare bibliotheek.

Papieren boek is favoriet
Hoe denken de kinderen over de bibliotheek van de toekomst? Volgens de LeesTippers zal de bibliotheek binnen vijf jaar evolueren van een fysiek gebouw met boeken naar een online uitleenservice waar je e-books kunt downloaden. Toch lezen ze zelf het liefst papieren boeken. Want een papieren boek houdt lekker vast. Het bladert gemakkelijk, het ruikt lekker en je kunt in één oogopslag zien hoe ver je bent.

Conclusies?
Natuurlijk mag ik geen conclusies trekken uit een gesprek met zo’n kleine en homogene groep kinderen. Maar mij valt wel op dat deze kinderen ook maar gewone mensen zijn, met dezelfde ideeën over lezen als volwassenen: lezen is leuk, zolang je zelf mag bepalen wat en wanneer je leest. Iets om te koesteren, lijkt me.

* Op 15 februari 2016 bestond de Jeugdbieb 15 jaar. Dat was aanleiding voor een feestelijke informatiemiddag onder het motto ‘Hebben slakken een deurbel?’ Hier vond ook het interview van Tako Rietveld met de LeesTippers plaats.

Ook interessant:

Kwestie van Lezen: Vrij lezen op de basisschool
Brochure van Stichting Lezen, met achtergronden en praktische tips voor leerkrachten.

Lezen Centraal. Van boeken word je beter (6 april 2016, Utrecht)
Congres over lezen en leesbevordering.

Aliteracy: Causes and solutions
Onderzoek van pedagoog Thijs Nielen over de invloed van de Bibliotheek Op School op de leerprestaties van basisschoolleerlingen, 26 januari 2016, Universiteit Leiden.

www.kindercorrespondent.nl
De website van kindercorrespondent Tako Rietveld.

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Informatievaardig: meer dan kunnen zoeken op internet

Spreekbeurt of werkstuk voor school? Leerlingen zoeken tegenwoordig alleen nog maar op internet, is de gedachte. En daarom moeten ze leren hoe ze de informatie van internet kunnen beoordelen op betrouwbaarheid. Zo maken we leerlingen ‘informatievaardig’. Maar vergeten we hier niet iets?

Wijs ze op andere bronnen
Natuurlijk is kritisch leren kijken naar informatie op internet heel belangrijk. Maar daarnaast moeten we leerlingen erop wijzen dat er nog meer informatiebronnen bestaan. Boeken, bijvoorbeeld. Of documentaires. Of personen die ze kunnen interviewen. Het grote voordeel van deze alternatieve bronnen is dat het vaak minder vaag is wie de afzender is. En of de informatie wel betrouwbaar is.

‘Voorgecheckt’
In het geval van boeken hebben bijvoorbeeld uitgevers en bibliotheekmedewerkers al gekeken of de informatie betrouwbaar is. Die mensen zijn erin gespecialiseerd; ze hebben er een opleiding voor gevolgd. Het gebruik van zo’n ‘voorgecheckte’ bron vergroot de kans dat de leerlingen zinvolle informatie gebruiken voor hun werkstuk. Waarom zou je je leerlingen daar dan niet op wijzen?

Dus:
Ga je aan de slag met informatievaardigheden in je klas?
1. Leer je leerlingen hoe ze met de informatiejungle van Google moeten omgaan.
2. Wijs je leerlingen op het bestaan van (betrouwbare) andere bronnen.

Stimuleren
Zoeken in boeken en documentaires zullen leerlingen uit zichzelf waarschijnlijk niet snel meer doen. Stimuleer daarom het gebruik van andere bronnen. Bijvoorbeeld door hen te verplichten minstens één boek, documentaire of persoon als bron te gebruiken voor hun werkstuk. Laat hen steeds aangeven waar ze hun informatie vandaan hebben.

Kritisch
Leerlingen informatievaardig maken is een belangrijke taak. Dat betekent volgens mij dat we hen leren kritisch gebruik te maken van álle beschikbare informatiebronnen.

(Overigens: ook ouders mogen zich aangesproken voelen!)

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Waarom je je website toch eens moet optimaliseren

Heb jij je website al geoptimaliseerd? Doen hoor! Een website die SEO geschreven is, is goud waard. Hij kan je veel nieuwe opdrachten opleveren. In deze blog geef ik je zes handige tips voor SEO.

Wat wil je met je website?
Tot voor kort dacht ik dat ik een website had om mensen naar te verwijzen als ze wilden weten wat ik doe. Ze hadden waarschijnlijk via-via van me gehoord en wilden me nu nog even checken, was mijn idee. Het uitgangspunt was daarom dat potentiële opdrachtgevers mijn site moesten vinden door mijn naam te googelen. Dat is in mijn geval niet zo moeilijk, mijn website draagt mijn naam. Wie mijn naam invoert in Google, krijgt mijn website dus sowieso als eerste treffer. Wat viel er dan te optimaliseren? Ik was toch prima vindbaar?

Denkfout
Inmiddels weet ik dat dat een denkfout is. Eentje die helaas veel meer zzp’ers maken. En daardoor laten ze kansen liggen. Mensen die jouw naam kennen, vinden je heus wel op internet. Richt je daarom met je website liever op die enorme bulk aan potentiële opdrachtgevers die nog nooit van jou gehoord hebben.

Hoe zichtbaar ben jij?
Veel bedrijven plaatsen tegenwoordig geen vacature voor een zzp’er meer, maar gaan zelf actief op zoek in Google. Staat jouw website dan op de eerste pagina van de zoekresultaten? Of sta je ergens onzichtbaar op pagina 7? In dat laatste geval zal je website je geen nieuwe klanten opleveren. Waarschijnlijk gebruik je te veel algemene termen in je teksten. Je vertelt je lezers dat je zo breed inzetbaar bent, echt van alle markten thuis. Maar aan welke lezers vertel je dat eigenlijk? Je website wordt namelijk helemaal niet gevonden. Je hebt geen lezers.

Aan de slag
Wakker geschud? Mooi! Dan is het nu tijd om de teksten op je website eens flink aan te pakken. Ga op zoek naar dat wat jou anders maakt dan je concurrenten. Vaak besef je niet eens welke bijzondere kennis je bezit. Heb jij als coach een speciale opleiding gevolgd? Heb je als tekstschrijver veel ervaring met een bepaald thema of vakgebied? Profileer je daar dan mee (vooropgesteld dat je meer van dat werk wilt hebben, natuurlijk).

Beter gevonden worden in Google?
Dit een goede start:
1. Zoek uit waarin jij je onderscheidt van je concurrenten.
2. Achterhaal welke zoektermen opdrachtgevers gebruiken als ze online naar een zzp’er met jouw specialisme zoeken.
3. Bepaal de zoektermen waarmee je gevonden wilt worden.
4. Doe een concurrentiecheck: voer de zoektermen van je voorkeur in en kijk hoe groot de concurrentie is. Is de concurrent niet te verslaan? Pas dan je zoektermen aan en check opnieuw, net zo lang tot je denkt dat je zoektermen hebt die bij je passen én kans van slagen hebben.
5. Herschrijf een aantal pagina’s van je website, waarin je de zoektermen enkele keren op een organische manier in de tekst laat terugkomen. Zoek eventueel op internet naar vuistregels voor SEO-schrijven.
6. Wacht een paar maanden (ja, helaas). Langzaam zul je merken dat je hoger scoort in Google en vaker benaderd wordt voor klussen.

Succes!

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Daarnaast helpt ze zzp’ers graag hun website te verbeteren. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Samen eindredactie doen? Verdeel de taken

Soms is de deadline voor een eindredactieopdracht zó strak gesteld, dat je de klus eigenlijk niet in je eentje aankunt. De oplossing is dan om een deel van het werk uit te besteden aan een betrouwbare collega. Zo’n oplossing biedt dubbel voordeel: de opdracht wordt er een stuk overzichtelijker van en daarnaast is samen buffelen voor een deadline hartstikke gezellig (ja, sorry, dat vind ik echt).

Hoe verdeel je het werk?
Je zult op zo’n moment de neiging hebben om het werk te verdelen op basis van het aantal teksten waarover eindredactie moet worden gevoerd. Je kijkt naar de thema’s, je bespreekt wie welke onderwerpen wil hebben en je verdeelt de boel. Een prima methode, als er tenminste thema’s zijn waarin de een veel beter thuis is dan de ander. Maar heb je allebei affiniteit met de thema’s, dan kun je ervoor kiezen om niet te verdelen op basis van de teksten, maar op basis van de taken. Ik heb gemerkt dat die manier soms beter werkt.

Taken van een eindredacteur
Bij een verdeling op basis van de taken kijk je naar de verantwoordelijkheden die een eindredacteur heeft. Een goede eindredacteur kijkt immers niet alleen naar hoofdletters, interpunctie en d’s en t’s; hij of zij zorgt er ook voor dat er geen onwaarheden in het verhaal staan, dat er een duidelijke opbouw in de tekst zit en dat het stuk lekker leest. Een eindredacteur heeft kortom meerdere taken. Maar hoe knip je die taken op?

Meters maken
Een voorbeeld. Ik moest (mocht) ooit voor een opdrachtgever in korte tijd 50 artikelen redigeren. Daarvoor heb ik de hulp van een collega ingeschakeld. We verdeelden de teksten niet op thema (al had dat gemakkelijk gekund; de helft ging over geschiedenis en de andere helft over natuur). In plaats daarvan besloten we dat ik de teksten zou nalopen op opbouw en inhoudelijke correctheid (er moest nogal wat gecheckt worden), waarna zij zou kijken naar de leesbaarheid en spelling. Zo kreeg elke tekst twee eindredacteurs en konden we uiteindelijk veel sneller meters maken.

Ook bij vertalingen
Ander voorbeeld. Een vertaalster moest met spoed een toeristische website vertalen van het Frans naar het Nederlands. De teksten gingen over de Eerste Wereldoorlog – specialistisch werk dus, waarvoor ze flink moest researchen om de juiste termen voor allerlei oorlogsgerelateerde begrippen te achterhalen. Nou zijn vertalers vaak hun eigen eindredacteur. Maar bij deze klus merkte de vertaalster al snel dat ze te weinig tijd overhield om de vertaalde teksten nog even rustig na te lopen op taalgebruik en zinsopbouw. Voor die klus benaderde ze mij. Een verdeling op basis van taken dus: zij deed de research, ik het taalgebruik en de zinsopbouw. Na afloop concludeerde ze dat dit sneller werkte dan wanneer ze een deel van de te vertalen teksten aan een andere vertaler zou hebben uitbesteed.

Vertrouwen
Belangrijk bij dit soort samenwerkingsconstructies is dat je elkaar vertrouwt. Neem het voorbeeld van de vertaalster. Omdat ik nog fris tegen de teksten aan keek en niet wist hoeveel moeite bepaalde zinnen hadden gekost, herschreef ik nogal eens wat. Nederlandse teksten zijn nou eenmaal korter en fermer dan Franse. Met als gevolg dat de vertaalster zich soms bijna schaamde als ze een gecorrigeerde tekst van mij terug kreeg. ‘Ach, natuurlijk’, verzuchtte ze dan, ‘dat wist ik zelf eigenlijk ook wel.’ Maar dat is het ‘m nou juist: voor die tweede correctieronde had zij helemaal geen tijd gehad. Ik wist ook wel dat haar Nederlandse teksten uiteindelijk altijd dik in orde zijn. De vertaalster moest even over haar beroepseer heen stappen. Ze moest mij haar rammelende teksten durven sturen. Toen ze haar perfectionisme eenmaal had losgelaten, ging de samenwerking als een speer.

Efficiënt
Dus: wil jij een grote (eind)redactieklus delen met een collega? Ga dan niet meteen het aantal teksten doormidden knippen, maar kijk of je misschien beter een verdeling op basis van taken kunt maken. Zorg er daarbij voor dat de verdeling van de taken duidelijk is en houd je er ook aan. Vertrouw op elkaars talenten. Je zult zien dat je op die manier heel efficiënt kunt samenwerken.

Succes!

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Wat doe je met 835 boeken over cavia’s?

Je eerste spreekbeurt op de basisschool, wat was dat spannend. In de bieb zocht je een mooi boek over jouw favoriete onderwerp. Laten we zeggen cavia’s. Als je mazzel had, dan stonden er wel TWEE boeken over cavia’s in de bieb.

Je plukte er feitjes uit die je zelf interessant vond en gaf een verpletterende spreekbeurt.

Maar wat had je gedaan als de bieb 835 boeken over cavia’s bleek te hebben? Mooi dat je die niet allemaal ging doorploegen. Je oog zou al snel zijn gevallen op die twee grote boeken op de voorste plank. Prachtig glanzende boeken met een mooie coverfoto van een snoezige cavia en in het binnenwerk aangenaam grote letters en veel plaatjes. Klaar!

Je plukte er feitjes uit die je zelf interessant vond en gaf een verpletterende spreekbeurt. (Niet ontkennen, gewoon eerlijk zijn, zo zou je dat gedaan hebben.)

Flash forward naar nu.

Je zit in groep 7 en wilt een spreekbeurt houden over cavia’s. Je hebt de hedendaagse equivalent van 835 boeken over cavia’s tot je beschikking: Google. Wat doe je? Nou ja, je bent tien jaar oud, dus je doet wat kinderen vroeger ook al deden, je kiest wat ‘boeken’ van de voorste plank op basis van het uiterlijk (aangenaam lettertype en veel mooie plaatjes).

En je plukt er feitjes uit die je zelf interessant vindt en geeft een …

ÈÈÈÈÈHH!!! FOUT!!!!

Als je Google gebruikt, moet je namelijk eerst uitzoeken of de informatie wel betrouwbaar is. Ik zou bijna zeggen: ga naar de bieb, daar vind je gegarandeerd betrouwbare informatie. Maar dat doen kinderen vanaf groep 5 niet meer. Die googlen. Net als jij.

Daarom is het ook zo belangrijk dat we kinderen al vroeg informatievaardigheden aanleren. Op school, maar ook thuis. Bijvoorbeeld door kritisch (mee) te kijken naar de bronnen voor hun spreekbeurt of door dóór te vragen bij de ronkende reclametekst in een speelgoedfolder. Ze zullen er hun hele leven profijt van hebben.

Misschien denk je ‘Een spreekbeurt over cavia’s, ach, wat kan daar nou fout bij gaan?’ Vervang het woord ‘cavia’ in deze tekst dan eens door ‘kanker’, ‘vrijheid van meningsuiting’ of ‘homoseksualiteit’. Ook dat zijn onderwerpen waar kinderen in hun schoolcarrière wel eens op zullen googlen. Vind je het dan nog steeds niet belangrijk dat ze kritisch naar de herkomst van de informatie kunnen kijken?

Wil je meer weten over informatievaardigheden?
Kijk dan eens in het dossier informatievaardigheden dat ik voor www.mediawijsheid.nl maakte. Je vindt er overzichtelijke informatie en veel lesideeën voor in de klas, van het primair onderwijs tot hbo/wo.

Ouders die hun kinderen (8 tot 14 jaar) willen helpen bij het zoeken naar informatie op internet adviseer ik het boekje Slim zoeken op internet van Maarten Sprenger te lezen. Je kunt het lenen bij de bieb ;-).

Veel plezier!

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Waarom Het Klokhuis zo’n goed programma is

Ik ben fan van Het Klokhuis.

Deze week kwam het kinderprogramma met een nieuwe reeks, over de hersenen.

Prima educatieve tv!

De redactie van Het Klokhuis kijkt volgens mij op de juiste manier naar kinderen en leren.

En dat is zo:


– Kinderen zijn net mensen.
Het Klokhuis gaat niet door de knieën, maar behandelt onderwerpen op een eerlijke en open manier. Ook als het gaat over complexe materie als de hersenen of lastige problemen als kindermishandeling.

– Leren is leuk.
Kinderen (en ook veel grote mensen) zijn dol op nieuwe kennis. Ze leren graag. Kom er dus gewoon voor uit dat je een educatief programma bent, daar is niks mis mee.

– Kennis is overal.
Waarom zou je vertellen hoe iets werkt als je het ook kunt laten zien aan de hand van een alledaags probleem? Zo legt Mustafa uit waarom heipalen heel vast in de grond zitten. Ook kinderprogramma’s als Willem Wever, Checkpoint en Mythbusters doen dit overigens goed.

– Neem de tijd.
Het Klokhuis durft netjes de tijd te nemen voor uitleg. Best lastig, want de kijksnelheid ligt door onze gewenning aan snelle clips en games steeds hoger. De redactie van Het Klokhuis heeft wat mij betreft de juiste balans gevonden.

– Mogen we al weer lachen?
Serieuze informatie wordt afgewisseld met korte, absurdistische sketches. Effe los, dus. En niks geen kinderachtig gedoe; de volwassenen lachen net zo hard mee.

– Kwaliteit duurt het langst.
Van bekende acteurs tot academische ziekenhuizen en bekende snoepfabrikanten, ze werken allemaal graag aan het programma mee. Tsja, dat krijg je als je al 26 jaar kwaliteit brengt…


Als je Het Klokhuis op z’n allerbest wilt zien, dan tip ik de serie Welkom in de Gouden Eeuw. Wat mij betreft echt hun kroonjuweel.


Heb ik de belangrijkste dingen benoemd volgens jou? Wat vind jij goed (of slecht) aan Het Klokhuis?

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Voorlezen is tijdreizen

Als ik voorlees, kies ik ook wel eens een boek dat ik zelf vroeger mooi vond.

Een tijdje terug terug las ik daarom Mijn vader woont in Brazilië van Thea Beckman voor. Voor wie het boek niet kent: het gaat over brugklasser Albert-Jan die verliefd wordt op het nieuwe meisje in zijn klas, Monique.

Een hedendaagse jeugdroman dus.
Nou ja, hedendaags…

Het boek is uitgegeven in 1974 en was TOEN hedendaags. Nu, veertig jaar later, lijkt Mijn vader woont in Brazilië toch meer op een historisch kinderboek.

Daar kwam ik tijdens het voorlezen pas achter, toen het verhaal al eventjes op weg was. Dan ontdekt Albert-Jan namelijk dat de moeder van Monique nooit is getrouwd met Moniques vader. Monique groeit op in een eenoudergezin.

Da’s best hedendaags, toch? Jazeker. En voor het kind dat werd voorgelezen was er ook niets aan de hand. Eenoudergezinnen zijn eenoudergezinnen. Boeien.

Maar voor het personage Albert-Jan in het boek is die ontdekking een schok. Hij is bang dat zijn moeder zijn nieuwe vriendinnetje nooit zal goedkeuren. De dochter van een alleenstaande moeder die – godbetert – moet werken voor haar geld? Haar zoon kan wel beter krijgen.

Albert-Jans vermoeden blijkt te kloppen. Zijn moeder verbiedt verdere omgang met Monique. En ik besef: zo ging dat inderdaad toen IK kind was.

In mijn jeugd was getrouwd zijn de norm. De man verdiende het geld, de vrouw zorgde voor de kinderen. Vrouwen zoals de moeder van Monique waren ‘gevallen vrouwen’, niet te benijden types. Niemand zei dat ooit hardop waar jij bij was, maar als kind voelde je dat op je klompen aan.

Ik vraag mijn voorleeskind (een meisje) of ze snapt waarom Albert-Jans moeder de vriendschap afkeurt. Ze trekt haar schouders op. “Zo ging dat toch vroeger?” zegt ze, alsof we het over de middeleeuwen hebben. Dat ik die tijd zelf nog heb meegemaakt vindt ze vanzelfsprekend, ik ben immers stokoud.

Zou er in de afgelopen dertig, veertig jaar echt zo veel veranderd zijn?

Voor de zekerheid lopen we de toekomstplannen nog even door. Mijn voorleeskind wil later een camping runnen (voor de lol), twee dagen werken (voor het geld), zes kinderen krijgen (voor de gezelligheid) en haar ouders in huis nemen (voor het oppassen op die zes kinderen). Over een man heeft ze het niet.

Opgelucht klap ik het voorleesboek dicht. Met de boekenlegger op de plek waar we de volgende keer weer verder gaan.

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Vier misvattingen over online tekstbegrip

Welke leerling haalt de informatie voor zijn werkstuk tegenwoordig nog alleen uit boeken? Precies. Waarom wordt er dan op school zo weinig aandacht besteed aan het begrijpend lezen van online teksten?

Leerlingen oefenen volgens mij vooral met zogenaamde papieren teksten; keurig afgeronde tekstjes met een lineaire opbouw, een kop en een staart. Voor teksten op internet, die vaak juist geen lineaire opbouw hebben, is nauwelijks aandacht. Niet bij het vak begrijpend lezen, maar ook niet bij de andere schoolvakken. Dat is toch vreemd?

Ik ging maar eens een beetje rondvragen in mijn omgeving. Was ik de enige die dit niet begreep? Ik polste vooral mensen die niet in het onderwijs werken. Hun antwoorden verrasten mij. Het kwam erop neer dat apart aandacht geven aan online tekstbegrip in hun ogen nutteloos was.

Hmm…

Tijd om wat misvattingen recht te zetten.

MISVATTING 1.
‘Wie goed begrijpend kan lezen, kan dat ook op internet. Een tekst is immers een tekst.’

Helaas gaat deze vlieger niet op. Een leerling die op school goed is in begrijpend lezen is niet automatisch ook goed in online tekstbegrip. Je kunt offline en online teksten niet zomaar op één hoop gooien. Jeroen Clemens, onderzoeker en docent Nederlands in het voortgezet onderwijs, legt in zijn blog duidelijk uit wat het verschil is tussen online en offline teksten:

‘Online teksten (meestal hyperteksten) hebben andere kenmerken dan offline teksten; ze hebben een andere structuur, zijn niet lineair opgebouwd, zijn niet statisch maar veranderend, zijn vaak een cluster van teksten ipv een enkele tekst, hebben niet altijd een aanwijsbare auteur, etc.’

Dit alles maakt het voor een lezer lastig om het doel van een online tekst te achterhalen en om hoofdzaken van bijzaken te scheiden. Clemens doet op dit moment onderzoek naar online tekstbegrip in het VO. Ben benieuwd naar de resultaten.

MISVATTING 2.
‘De huidige generatie scholieren is opgegroeid met internet en heeft daarom geen probleem met online teksten.’

Dit is de hardnekkige mythe van de ‘digital native‘. Jongeren zouden anders met internet omgaan dan de oudere generaties die niet met internet zijn opgegroeid. Regelmatig blijkt uit onderzoek echter dat leerlingen wel handig zijn met de techniek (‘knoppenvaardig’), maar een stuk minder handig met de inhoud. Ze hebben hulp nodig bij het interpreteren van online informatie. Welke informatie is betrouwbaar? En hoe weet je dat?
Inmiddels is de mythe al zo vaak onderuitgehaald, dat het me verbaast dat hij nog steeds voortwoekert. Maar goed, voor wie nu nog steeds gelooft dat kinderen en jongeren zich vanzelf wel redden op internet: lees even deze blog van ‘X, Y of Einstein?’.

MISVATTING 3.
‘Via lessen mediawijsheid leren kinderen al genoeg over het omgaan met teksten op internet.’

Is dat echt waar? Bij mediawijsheid leren ze over de mogelijkheden en valkuilen van internet (en andere media). Maar hoe veel van die lessen gaan specifiek over het begrijpen en duiden van online teksten? Als er al sprake is van een geïntegreerd aanbod van mediawijsheid en tekstbegrip (bijvoorbeeld door een koppeling met begrijpend lezen), dan gebeurt dat volgens mij vooral door het duiden van nieuwsberichten in de krant. Ook weer papieren teksten.

Misvatting 4.
‘Misschien is het inderdaad nodig om online tekstbegrip te oefenen. Maar het is heel lastig om goede oefeningen te maken met teksten die steeds weer veranderen.’

Dat zal best. Maar ‘lastig’ is toch niet hetzelfde als ‘onmogelijk’? En trouwens, was dat nou juist niet de crux van mijn vraag, dat online teksten lastiger te ‘vangen’ zijn dan offline teksten?
Laat leerlingen voor mijn part oefenen met speciaal gemaakte nep websites. Of geef ze schrijfoefeningen waardoor ze de verschillen tussen online en offline teksten gaan inzien (‘Pas de tekst van je werkstuk zo aan, dat je er een website met verschillende, onderling samenhangende pagina’s mee kunt vullen.’)
Volgens mij kun je legio manieren bedenken om te oefenen met online tekstbegrip. Maar je moet het natuurlijk wel willen.

Ik ben heel benieuwd of er lesmateriaal bestaat dat specifiek online tekstbegrip behandelt. Ik hoopt het. Ken je een goed voorbeeld, dan hoor ik het graag.
En ik ben natuurlijk ook geïnteresseerd in andere opvattingen (misvattingen) over de zinloosheid van online tekstbegrip ;-).

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.