Wat doe je met 835 boeken over cavia’s?

Je eerste spreekbeurt op de basisschool, wat was dat spannend. In de bieb zocht je een mooi boek over jouw favoriete onderwerp. Laten we zeggen cavia’s. Als je mazzel had, dan stonden er wel TWEE boeken over cavia’s in de bieb.

Je plukte er feitjes uit die je zelf interessant vond en gaf een verpletterende spreekbeurt.

Maar wat had je gedaan als de bieb 835 boeken over cavia’s bleek te hebben? Mooi dat je die niet allemaal ging doorploegen. Je oog zou al snel zijn gevallen op die twee grote boeken op de voorste plank. Prachtig glanzende boeken met een mooie coverfoto van een snoezige cavia en in het binnenwerk aangenaam grote letters en veel plaatjes. Klaar!

Je plukte er feitjes uit die je zelf interessant vond en gaf een verpletterende spreekbeurt. (Niet ontkennen, gewoon eerlijk zijn, zo zou je dat gedaan hebben.)

Flash forward naar nu.

Je zit in groep 7 en wilt een spreekbeurt houden over cavia’s. Je hebt de hedendaagse equivalent van 835 boeken over cavia’s tot je beschikking: Google. Wat doe je? Nou ja, je bent tien jaar oud, dus je doet wat kinderen vroeger ook al deden, je kiest wat ‘boeken’ van de voorste plank op basis van het uiterlijk (aangenaam lettertype en veel mooie plaatjes).

En je plukt er feitjes uit die je zelf interessant vindt en geeft een …

ÈÈÈÈÈHH!!! FOUT!!!!

Als je Google gebruikt, moet je namelijk eerst uitzoeken of de informatie wel betrouwbaar is. Ik zou bijna zeggen: ga naar de bieb, daar vind je gegarandeerd betrouwbare informatie. Maar dat doen kinderen vanaf groep 5 niet meer. Die googlen. Net als jij.

Daarom is het ook zo belangrijk dat we kinderen al vroeg informatievaardigheden aanleren. Op school, maar ook thuis. Bijvoorbeeld door kritisch (mee) te kijken naar de bronnen voor hun spreekbeurt of door dóór te vragen bij de ronkende reclametekst in een speelgoedfolder. Ze zullen er hun hele leven profijt van hebben.

Misschien denk je ‘Een spreekbeurt over cavia’s, ach, wat kan daar nou fout bij gaan?’ Vervang het woord ‘cavia’ in deze tekst dan eens door ‘kanker’, ‘vrijheid van meningsuiting’ of ‘homoseksualiteit’. Ook dat zijn onderwerpen waar kinderen in hun schoolcarrière wel eens op zullen googlen. Vind je het dan nog steeds niet belangrijk dat ze kritisch naar de herkomst van de informatie kunnen kijken?

Wil je meer weten over informatievaardigheden?
Kijk dan eens in het dossier informatievaardigheden dat ik voor www.mediawijsheid.nl maakte. Je vindt er overzichtelijke informatie en veel lesideeën voor in de klas, van het primair onderwijs tot hbo/wo.

Ouders die hun kinderen (8 tot 14 jaar) willen helpen bij het zoeken naar informatie op internet adviseer ik het boekje Slim zoeken op internet van Maarten Sprenger te lezen. Je kunt het lenen bij de bieb ;-).

Veel plezier!

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.

Vier misvattingen over online tekstbegrip

Welke leerling haalt de informatie voor zijn werkstuk tegenwoordig nog alleen uit boeken? Precies. Waarom wordt er dan op school zo weinig aandacht besteed aan het begrijpend lezen van online teksten?

Leerlingen oefenen volgens mij vooral met zogenaamde papieren teksten; keurig afgeronde tekstjes met een lineaire opbouw, een kop en een staart. Voor teksten op internet, die vaak juist geen lineaire opbouw hebben, is nauwelijks aandacht. Niet bij het vak begrijpend lezen, maar ook niet bij de andere schoolvakken. Dat is toch vreemd?

Ik ging maar eens een beetje rondvragen in mijn omgeving. Was ik de enige die dit niet begreep? Ik polste vooral mensen die niet in het onderwijs werken. Hun antwoorden verrasten mij. Het kwam erop neer dat apart aandacht geven aan online tekstbegrip in hun ogen nutteloos was.

Hmm…

Tijd om wat misvattingen recht te zetten.

MISVATTING 1.
‘Wie goed begrijpend kan lezen, kan dat ook op internet. Een tekst is immers een tekst.’

Helaas gaat deze vlieger niet op. Een leerling die op school goed is in begrijpend lezen is niet automatisch ook goed in online tekstbegrip. Je kunt offline en online teksten niet zomaar op één hoop gooien. Jeroen Clemens, onderzoeker en docent Nederlands in het voortgezet onderwijs, legt in zijn blog duidelijk uit wat het verschil is tussen online en offline teksten:

‘Online teksten (meestal hyperteksten) hebben andere kenmerken dan offline teksten; ze hebben een andere structuur, zijn niet lineair opgebouwd, zijn niet statisch maar veranderend, zijn vaak een cluster van teksten ipv een enkele tekst, hebben niet altijd een aanwijsbare auteur, etc.’

Dit alles maakt het voor een lezer lastig om het doel van een online tekst te achterhalen en om hoofdzaken van bijzaken te scheiden. Clemens doet op dit moment onderzoek naar online tekstbegrip in het VO. Ben benieuwd naar de resultaten.

MISVATTING 2.
‘De huidige generatie scholieren is opgegroeid met internet en heeft daarom geen probleem met online teksten.’

Dit is de hardnekkige mythe van de ‘digital native‘. Jongeren zouden anders met internet omgaan dan de oudere generaties die niet met internet zijn opgegroeid. Regelmatig blijkt uit onderzoek echter dat leerlingen wel handig zijn met de techniek (‘knoppenvaardig’), maar een stuk minder handig met de inhoud. Ze hebben hulp nodig bij het interpreteren van online informatie. Welke informatie is betrouwbaar? En hoe weet je dat?
Inmiddels is de mythe al zo vaak onderuitgehaald, dat het me verbaast dat hij nog steeds voortwoekert. Maar goed, voor wie nu nog steeds gelooft dat kinderen en jongeren zich vanzelf wel redden op internet: lees even deze blog van ‘X, Y of Einstein?’.

MISVATTING 3.
‘Via lessen mediawijsheid leren kinderen al genoeg over het omgaan met teksten op internet.’

Is dat echt waar? Bij mediawijsheid leren ze over de mogelijkheden en valkuilen van internet (en andere media). Maar hoe veel van die lessen gaan specifiek over het begrijpen en duiden van online teksten? Als er al sprake is van een geïntegreerd aanbod van mediawijsheid en tekstbegrip (bijvoorbeeld door een koppeling met begrijpend lezen), dan gebeurt dat volgens mij vooral door het duiden van nieuwsberichten in de krant. Ook weer papieren teksten.

Misvatting 4.
‘Misschien is het inderdaad nodig om online tekstbegrip te oefenen. Maar het is heel lastig om goede oefeningen te maken met teksten die steeds weer veranderen.’

Dat zal best. Maar ‘lastig’ is toch niet hetzelfde als ‘onmogelijk’? En trouwens, was dat nou juist niet de crux van mijn vraag, dat online teksten lastiger te ‘vangen’ zijn dan offline teksten?
Laat leerlingen voor mijn part oefenen met speciaal gemaakte nep websites. Of geef ze schrijfoefeningen waardoor ze de verschillen tussen online en offline teksten gaan inzien (‘Pas de tekst van je werkstuk zo aan, dat je er een website met verschillende, onderling samenhangende pagina’s mee kunt vullen.’)
Volgens mij kun je legio manieren bedenken om te oefenen met online tekstbegrip. Maar je moet het natuurlijk wel willen.

Ik ben heel benieuwd of er lesmateriaal bestaat dat specifiek online tekstbegrip behandelt. Ik hoopt het. Ken je een goed voorbeeld, dan hoor ik het graag.
En ik ben natuurlijk ook geïnteresseerd in andere opvattingen (misvattingen) over de zinloosheid van online tekstbegrip ;-).

Over de auteur

Cecile Bolwerk is educatief journalist. Ze ontwikkelt lesmateriaal, stelt kennisdossiers samen en schrijft teksten voor kinderen. Contact: 06 – 17 068 305 of e-mail.